logo WPVL
WISKUNDEWOORDENBOEK

Als je op een letter klikt, krijg je een overzicht van alle woorden van het wiskundewoordenboek van deze letter.

alfabet

B

Beeldpunt van PAQ op de goniometrische cirkel = het snijpunt F van het eindbeen van de georiënteerde hoek met de goniometrische cirkel.

Binair talstel = het talstelsel dat gebaseerd is op de 2 cijfers O en |. Het tiendelige O blijft O, 1 blijft 1, maar 2 wordt |O, 3 wordt || en 4 wordt |OO. Computers ‘denken’ met deze getallen.

Bissectrice of deellijn = de rechte die door een hoekpunt gaat en de bijhorende hoek in twee even grote hoeken verdeelt.

Bol = een lichaam dat uit slechts één gebogen oppervlak bestaat.

Buitenhoek = een hoek die niet tussen twee (al dan niet evenwijdig) rechten gelegen is.

Buitenhoek van een driehoek = de hoek gevormd door een zijde en het verlengde van een andere zijde van deze driehoek.

A

Aanliggende hoeken =  Hoeken die één been gemeenschappelijk hebben. Hun andere benen moeten langs beide zijden van het gemeenschappelijke been liggen.

Abscis = het eerste coördinaatgetal

Absolute waarde van een getal  = dit getal zonder toestandsteken.

Afstand van een punt tot een rechte = de afstand tussen dit punt tot het voetpunt van de loodlijn uit dit punt op de rechte.

Aftrekking = de omgekeerde bewerking van de optelling.

Anticomplementaire hoeken = hoeken waarvan het verschil 90° is.

Antisupplementaire hoeken = hoeken waarvan het verschil 180° is.

Apothema = het lijnstuk dat vanuit het middelpunt loodrecht op de koorde staat.

Assenstelsel = twee getallenassen die elkaar snijden in een punt, dat we de oorsprong noemen.

Associatief = bij een bewerking heeft de plaats van de haakjes geen belang.





H

Hoek van twee snijdende rechten = de kleinste hoek die er tussen de twee rechten is.

Hoofdwaarde van een georiënteerde hoek = de waarde die behoort tot ]-180°,180°].

Hoogtelijn van een driehoek = de loodlijn uit een hoekpunt op de drager van de overstaande zijde.

G

Geheel getal = een verschil van 2 natuurlijke getallen. OF ook: het bestaat uit een natuurlijk getal, voorzien van een toestandsteken.

Gelijkbenige driehoek = een driehoek waarvan minstens 2 zijden even lang zijn.

Gelijkbenig trapezium = een trapezium waarvan de opstaande zijden even lang en niet evenwijdig zijn.

Gelijke hoeken = de beeldpunten van α en β=α+k.360° (met k  Z) vallen samen op de goniometrische cirkel in het punt A.

Gelijknamige breuken = breuken met gelijke noemers.

Gelijksoortige eentermen = eentermen met hetzelfde lettergedeelte.

Gelijkvormigheidsfactor = de verhouding van 2 overeenkomstige zijden van gelijkvormige figuren.

Gelijkzijdige driehoek = een driehoek waarvan de 3 zijden even lang zijn.

Gemiddelde = het quotiënt van de som van de getallen en het aantal getallen.

Georiënteerd lijnstuk = een lijnstuk waarop een doorloopzin (oriëntatie) is aangeduid.

Gestrekte hoek = een hoek van 180°. Beide benen liggen in elkaars verlengde.

Getallenas =  wanneer we naar rechts (of naar links) steeds dezelfde afstanden afpassen als de afstand tussen 0 en 1, vinden we de punten die de natuurlijke getallen 2, 3, 4, 5, … voorstellen.

Goniometrische cirkel = een cirkel waarvan het middelpunt de oorsprong is van een orthonormaal assenstelsel en waarvan de straal als eenheid wordt gekozen.

Grootste gemene deler  van twee getallen = het grootste natuurlijk getal dat deler is van beide getallen.

F

Functie van de eerste graad = een functie die elk reëel getal x afbeeldt op mx + q met m    en q R.

E

Eenterm = het product van een aantal cijfer- en letterfactoren.

Evenredigheid = een gelijkheid van twee (of meer) verhoudingen.

Evenwijdige rechten = twee rechten die samenvallen of geen enkel punt gemeenschappelijk hebben.

D

Deellijn of bissectrice van een driehoek = de rechte die door een hoekpunt gaat en de bijhorende hoek in twee even grote hoeken verdeelt.

Deellijn van een hoek =  De rechte die de hoek in twee even grote hoeken verdeelt.

Deling = de omgekeerde bewerking van de vermenigvuldiging.

Diameter = een koorde die door het middelpunt gaat.

Distributief = in een rekenvorm met twee bewerkingen, mag je de ene bewerking verdelen over de andere bewerking. Het resultaat zal niet veranderen.

Domein van f = de verzameling van de elementen van de bron van een functie f die een beeld hebben door f.

Doorsnede van 2 verzamelingen = de verzameling met hierin de gemeenschappelijke elementen van beide verzamelingen.

Draaiing met centrum O en draaiingshoek α = de transformatie van het vlak die O op zichzelf afbeeldt en elk ander punt A afbeeldt op een punt A’ zodat AôA’ = α en |OA’| = |OA|.

Driehoek = een vlakke figuur gevormd door drie punten die niet op eenzelfde rechte gelegen zijn. Het wordt gevormd door drie zijden en drie hoeken.

C

Centi = een voorvoegsel dat gebruikt wordt om één honderdste van de eenheid aan te geven.

Cilinder = ruimtelijke buisvormige figuur, begrensd door een oppervlak, waarvan elk punt zich op gelijke afstand bevindt van de centrale lijn

Cirkel =  de verzameling van alle punten die op eenzelfde afstand liggen van een gegeven punt.

Collineaire punten = punten die op eenzelfde rechten liggen.

Commutatief = we mogen bij een bewerking de getallen van plaats verwisselen. Het resultaat zal niet beïnvloed worden.

Complementaire hoeken = hoeken die samen 90° vormen.

Congruente figuren =  figuren die op elkaar kunnen afgebeeld worden door een spiegeling, een verschuiving, een draaiing of een samenstelling van deze transformaties.

Convexe vierhoek = een vierhoek waarbij de figuur volledig aan eenzelfde kant ligt van elke zijlijn.

Cosinus van een hoek = het eerste coördinaatgetal van het beeldpunt van die hoek  op de

goniometrische cirkel.

Cotangens van een hoek α = het quotiënt van de cosinus van die hoek en de sinus van die hoek.

Z

Zwaartelijn van een driehoek = de rechte door een hoekpunt en door het midden van de overstaande zijde.

 

Y

X

W

V

Veelterm = een som van eentermen.

Vergelijking = In een gelijkheid komt een onbekend element voor.

Vermenigvuldiging = een verkorte schrijfwijze van een optelling.

Vierhoek = een vlakke figuur gevormd door vier zijden en vier hoeken.

Vierkant = een vierhoek met vier even lange zijden en met vier rechte hoeken.

Volle hoek = een hoek van 360°

 

U

T

Tangens van een hoek α = het quotiënt van de sinus van die hoek α en de cosinus van die hoek α.

Tegengestelde van een getal = dit getal voorzien van het andere toestandsteken.

Trapezium = een vierhoek met tenminste één paar evenwijdige zijden.

 

S

Scherpe hoek = een hoek die groter is dan 0° en die kleiner is dan 90°.

Scherphoekige driehoek = een driehoek waarvan alle hoeken scherp zijn.

Sinusregel = in elke driehoek zijn de zijden evenredig met de sinussen van de overstaande hoeken.

Sinus van een hoek = het tweede coördinaatgetal van het beeldpunt van die hoek op de goniometrische cirkel.

Snijdende rechten = twee rechten die juist één punt gemeenschappelijk hebben.

Spiegeling t.o.v. de rechte a = de transformatie van het vlak  die elk punt van a afbeeldt op zichzelf en elk punt A dat niet tot a behoort afbeeldt op een punt A’ zodat a de middelloodlijn is van [AA’].

Staafdiagram = een geheel van staafjes voorgesteld in een assenstelsel.

Stambreuk = een breuk met teller 1.

Stelsel van ongelijkheden = Wanneer men twee (of meer) voorwaarden oplegt waaraan de oplossing moet voldoen.

Stompe hoek = een hoek die groter is dan 90°, maar kleiner is dan 180°.

Stomphoekige driehoek = een driehoek waarvan een hoek stomp is.

Straal = de afstand van een punt van de cirkel tot het middelpunt.

Strijdige vergelijking = een vergelijking waarvan de oplossing leeg is.

Supplementaire hoeken = hoeken die samen 180° vormen.

 

R

Radiaal = de grootte van de middelpuntshoek die op een boog staat die even lang is als de straal.

Rationaal getal = het quotiënt van twee gehele getallen, waarvan het tweede niet nul is.

Rechte = een onbegrensde verzameling van punten.

Rechte hoek = een hoek van 90°

Recht evenredig = twee grootheden zijn recht evenredig, als het quotiënt van hun overeenkomstige maatgetallen constant is.

Rechthoek = een vierhoek met vier rechte hoeken.

Rechthoekige driehoek = een driehoek waarvan een hoek recht is.

Reëel getal = een rationaal of een irrationaal getal.

Rico a = de toename van de y-waarde als de x-waarde met 1 toeneemt.

Ruit = een vierhoek met vier even lange zijden.

 

Q

P

Parallellogram = een vierhoek met twee paar evenwijdige zijden.

Piramide = een lichaam, met als grondvlak een willekeurige veelhoek en driehoeken als opstaande zijvlakken, die samenkomen in één punt.

Priemgetal = een natuurlijk getal dat juist 2 verschillende delers heeft, namelijk 1 en zichzelf.

Prisma =  een lichaam begrensd door twee evenwijdige en even grote veelhoeken (driehoek, vierhoek, vijfhoek ….) als grond- en bovenvlak en met als opstaande zijvlakken parallellogrammen.

Puntspiegeling met centrum O = de transformatie van het vlak die O op zichzelf afbeeldt en elk ander punt A afbeeldt op een punt A’ zodat O het midden is van [AA’].

 

O

Omgekeerd evenredig = twee grootheden zijn  omgekeerd evenredig als het product van hun overeenkomstige maatgetallen constant is.

Omtrek van een figuur = de (gebroken of gebogen) lijn die rond de figuur ligt.

Onderling ondeelbare getallen= twee getallen waarvan de grootste gemene deler 1 is.

Ongelijkbenige driehoek  = een driehoek die niet gelijkbenig is (d.w.z. drie zijden met verschillende lengte).

Onvereenvoudigbare breuk = breuk waarvan teller en noemer onderling ondeelbaar zijn.

Oorsprong van het assenstelsel = het snijpunt van de x-as en de y-as.

Opgaande deling = een deling waarbij de rest nul is.

Oppervlakte van een figuur = de grootte van het deel van het vlak dat deze figuur inneemt.

Ordinaat = het tweede coördinaatgetal

Overstaande hoeken =  Hoeken  waarvan de benen van de ene hoek in het verlengde liggen van de benen van de andere hoek.

 

N

Natuurlijk getal = het resultaat van een telling van een eindig aantal dingen.

Niet-convexe vierhoek = een vierhoek waarbij de figuur langs beide kanten van een zijlijn ligt.

Niet-opgaande deling = de rest bij een deling is niet gelijk aan nul.

Nulhoek = een hoek van 0°. Beide benen vallen samen.

M

Mediaan = Het middelste getallen die gerangschikt zijn van klein naar groot. Als er een even aantal getallen zijn, dan neem je het gemiddelde van de middelste 2 getallen.

Middellijn = een rechte die door het middelpunt gaat.

Middelloodlijn van een driehoek = de rechte die door het midden gaat van de een zijde en loodrecht staat op de drager van deze zijde.

Middelloodlijn van een lijnstuk = de rechte die het lijnstuk loodrecht snijdt in het midden.

Middelpuntshoek = een hoek met als hoekpunt het middelpunt van de cirkel.

L

Lettervorm = vorm waarin  letter (natuurlijke )getallen voorstellen.

Lijngrafiek = een lijn (rechte, kromme of gebroken lijn) die een aantal punten verbindt in een assenstelsel.

Loodrecht = twee rechten die een hoek van 90° vormen.

 

K

Kegel = een lichaam met een cirkelschijf als grondvlak en een gebogen zijvlak, dat eindigt in één punt.

Kleinste gemeen veelvoud van twee getallen = het kleinste, van nul, verschillend, natuurlijk getal dat veelvoud is van beide getallen.

Koorde = een lijnstuk dat twee punten van de cirkel verbindt.

Kwadraat van een getal = de tweede macht van dat getal.
J

I

Irrationaal getal = een getal met een onbegrensde, niet-repeterende  decimale schrijfwijze.
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
up
Homenav

welkomstwoord

geschiedenisnav

lesmateriaalnav

woordenboeknav

wiskrantnav

wwwnav

raadselsnav

forumnav

Wiskundewandelingnav

wiskalendernav

Casionav